pandemonium

onzijdig (het)/pɑnde'monijʏm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een chaotische toestand met een hels lawaai en drukte
    Kramer maakte van de slotbeweging een groots en grotesk pandemonium, waarin weliswaar niet elk loopje of akkoord loepzuiver klonk. Maar naast zoveel muzikanteske brille is het haast strafbaar om daarover te kniezen. de Standaard 29/05/2016 door Tom Janssens
    Wat hebben Angela Merkel, Piet de Jong en Koos van Dam met elkaar gemeen? Zowel de bondskanselier, de overleden oud-premier, als de vertrekkende Syrië-gezant laten (lieten) zich leiden door innerlijke kalmte en bezinning. Zij zijn een oase van rust in de huidige hysterie, in het pandemonium dat dagelijks in de media aan ons voorbijtrekt en maar geen halt weet te houden. Tubantia 09-08-2016

Etymologie

*afgeleid van het Latijnse daemonium [demon, duivel]

Vertalingen

Engelsuproar
Spaanspandemonio