panharing

mannelijk (de)/'pɑnharɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) niet gekaakte of gepekelde verse, groene haring, geschikt om in de pan gebakken te worden
  2. een lokale of informele naam voor de alver (Alburnus alburnus), een kleine zoetwatervis uit de karperfamilie. Ze worden vaak in de pan gebakken en staan bekend om hun zilverachtige uiterlijk, waarbij de naam 'panharing' verwijst naar de bereidingswijze, hoewel ze geen echte haring zijn