paniek
vrouwelijk (de)/paˈnik/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- plotselinge hevige schrik voor een echt of vermeend gevaarDe tropische storm Bonnie die Aruba, Bonaire en Curaçao mogelijk zal treffen, komt waarschijnlijk niet woensdagavond maar al in de middag (plaatselijke tijd) aan land op de eilanden. Dat zegt het Caribbean Weather Center (CWC) woensdag tegen NU.nl. Daardoor is op het eiland paniek ontstaan onder de inwoners.
Etymologie
*van "panique", een (eponiem) dat verwijst naar de Griekse god , die mensen met vreemde geluiden aan het schrikken maakte; in de betekenis van ‘schrik’ voor het eerst aangetroffen in 1872
Vertalingen
Engelspanic
Spaanspánico
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek