papil
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) verhevenheid, o.a. op de tong (-> smaakpapil)
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘verhevenheid op tong’ voor het eerst aangetroffen in 1871
Vertalingen
Spaanspapila
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek