parallel
mannelijk/vrouwelijk (de)/parɑˈlɛl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (astronomie) (aardrijkskunde) een cirkel op het aardoppervlak waarop alle punten met gelijke geografische breedte (noord of zuid) liggen, breedtecirkelDe Kreeftskeerkring is een bekende parallel op het noorderlijk halfrond
- (wiskunde) lijn die of vlak dat evenwijdig loopt met een andere lijn of een ander vlak
- iets dat grote overeenkomst met iets anders heeft
- een traject dat vanuit een gegeven startpunt uitkomt op hetzelfde eindpunt b.v parallelschakeling, parallelweg
Etymologie
*afgeleid van het Griekse 'allḗlois' (elkaar)
Vertalingen
Engelsline of latitude, parallel
Fransparallèle, parallèle
DuitsBreitenkreis, parallel
Spaansparalelo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek