pastorij

vrouwelijk (de)/ˌpɑstoˈrɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de ambtswoning van een pastoor of predikant
    Tijdens de opnamen snuffelde Talma tussen de dozen met papier in de kerk en pastorij waar duizenden evangelisatieboekjes en emblemen met teksten als ‘Houdt Goeden Moed', 'Ik Heb De Wereld Overwonnen’ lagen opgeslagen. Het liefst had Meindert Talma die boekjes ook bij de plaat gestopt. ‘Maar twee boekjes is wellicht wat veel.’De Volkskrant Gijsbert Kamer 21 december 2006 [https://www.volkskrant.nl/recensies/altijd-oprecht~a804136/ ALTIJD OPRECHT ]
    Daarnaast gaat de stad ook de ziekenhuiscampus aan de Zwartzustersvest en enkele leegstaande pastorijen verkopen.de Standaard 06/12/2016 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20161206_02610836 Te koop: Nekkerhal in Mechelen ]

Etymologie

*afgeleid van pastor

Vertalingen

Engelsrectory