patissier
mannelijk (de)/ˌpatiˈʃe/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (Zuid-Nederlands) (beroep) een banketbakkerJan is de beste patissier van de stad; zijn mattentaartjes zijn om duimen en vingers bij af te likken.
Etymologie
*Ontleend aan het Franse pâtissier.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek