patjakker
mannelijk (de)/ˈpɑcɑkər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (informeel) (scheldwoord) boosaardige man
Etymologie
* gevormd uit "bajag" en "bajak" "zeerover, piraat", in de betekenis van ‘gemene kerel’ voor het eerst aangetroffen in 1896
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek