smeerlap
mannelijk (de)/ˈsmerlɑp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vette lap waarmee men iets insmeert om wrijving te verminderenDe smeerlap kwam van pas zodra het droog weer was (alleen met sneeuw verliep het traject soepeltjes), waardoor het paard de kar niet meer kon trekken. De sleper smeerde de wielen in met de vette lap zodat de kar weer verder kon worden getrokken.De [[w:sleepkoets
- (scheldwoord) man die wangedrag vertoont
- man die zichzelf of zijn omgeving vies maaktHij keek me aan alsof ik de goorste smeerlap was die hij in jaren was tegengekomen. „Een blower?!” riep hij uit. „Die maakt het alleen maar nóg veel viezer.”
- man die gemene dingen doet‘Ja, hou hem vast. Hou die smeerlap vast.’ Sommigen konden zich amper inhouden en schopten de overvaller.
- man met onsmakelijke seksuele voorkeurenHet meisje graait wat, ze grinnikt: „Ik kan geen stier melken.” En dat is dat. Jeugd en ouderdom. Kind en ouwe smeerlap. Kracht en impotentie, leven en dood.
Etymologie
* , in de betekenis van ‘scheldwoord’ voor het eerst aangetroffen in 1721
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek