smeerlap

mannelijk (de)/ˈsmerlɑp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vette lap waarmee men iets insmeert om wrijving te verminderen
    De smeerlap kwam van pas zodra het droog weer was (alleen met sneeuw verliep het traject soepeltjes), waardoor het paard de kar niet meer kon trekken. De sleper smeerde de wielen in met de vette lap zodat de kar weer verder kon worden getrokken.
    De [[w:sleepkoets
  2. scheldwoord (scheldwoord) man die wangedrag vertoont
  3. man die zichzelf of zijn omgeving vies maakt
    Hij keek me aan alsof ik de goorste smeerlap was die hij in jaren was tegengekomen. „Een blower?!” riep hij uit. „Die maakt het alleen maar nóg veel viezer.”
  4. man die gemene dingen doet
    ‘Ja, hou hem vast. Hou die smeerlap vast.’ Sommigen konden zich amper inhouden en schopten de overvaller.
  5. man met onsmakelijke seksuele voorkeuren
    Het meisje graait wat, ze grinnikt: „Ik kan geen stier melken.” En dat is dat. Jeugd en ouderdom. Kind en ouwe smeerlap. Kracht en impotentie, leven en dood.

Etymologie

* , in de betekenis van ‘scheldwoord’ voor het eerst aangetroffen in 1721