patroon

/paˈtron/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. militair (m)/(f): (militair) munitie voor een vuurwapen (cartouche, cartridge)
    De patronen waren op, dus gaf de dief zich over.
  2. (n): tekening die als basis dient om meerdere dezelfde eindproducten te maken, sjabloon, template
    Het was Zijn gang, hij herkende het patroon van de loper.
    Voordat je een jurk maakt, teken je meestal eerst het patroon.
  3. (n): min of meer vaste terugkerende structuur, concreet dan wel abstract
    In zijn handelingen is een zeker patroon te zien.
    Eenzelfde patroon zien we bij de overdracht van vogelgriepvirussen.
  4. beroep (m): (beroep) baas, chef, overste
    Daarvoor moet je bij mijn patroon zijn.
  5. religie, juridisch, beroep (m): (religie), (juridisch) (beroep) beschermheer, beschermheilige, schutspatroon
    Hij trad op als patroon van de klager.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘beschermheilige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200

Vertalingen

Spaansbala