patroon
/paˈtron/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m)/(f): (militair) munitie voor een vuurwapen (cartouche, cartridge)De patronen waren op, dus gaf de dief zich over.
- (n): tekening die als basis dient om meerdere dezelfde eindproducten te maken, sjabloon, templateHet was Zijn gang, hij herkende het patroon van de loper.Voordat je een jurk maakt, teken je meestal eerst het patroon.
- (n): min of meer vaste terugkerende structuur, concreet dan wel abstractIn zijn handelingen is een zeker patroon te zien.Eenzelfde patroon zien we bij de overdracht van vogelgriepvirussen.
- (m): (beroep) baas, chef, oversteDaarvoor moet je bij mijn patroon zijn.
- (m): (religie), (juridisch) (beroep) beschermheer, beschermheilige, schutspatroonHij trad op als patroon van de klager.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘beschermheilige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200
Vertalingen
Spaansbala
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek