pauw
mannelijk (de)/pɑu/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (hoendervogels) benaming voor siervogels uit het geslacht , waarvan het mannetje een lange sleep van verlengde dekveren bezit die hij om indruk te maken rechtop kan zettenPauwen hebben mooi gekleurde veren.
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘hoendervogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Engelspeacock
Franspaon
DuitsPfau
Spaanspavo real
Italiaanspavone
Portugeespavão real
Russischпавлин
Chinees孔雀
Arabischطاووس
Turkstavus kuşu
Poolspaw
Zweedspåfågel
Deenspåfugl
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek