pauwen
/plaatshouder taxonomie/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (hoendervogels) een geslacht van middelgrote hoendervogels, waarvan de haan wordt gekenmerkt door een lange staart. Er zijn twee soorten: de blauwe pauw (Pavo cristatus) en de groene pauw (Pavo muticus). Naast het geslacht Pavo bestaat er ook het pauwengeslacht met één soort: de congopauw (Afropavo congensis)
Etymologie
* "pauw" met de uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek