pauze

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈpɑuzə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
    In de pauze van het werk ging hij naar huis om te eten.
    De eerste vijfenhalf weken van de trail waren zwaar geweest en mijn lichaam was langzamerhand weer aan toe aan een kleine pauze.
  2. onderbreking van iets in het algemeen
    Een pauze in de gevechten.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rustpoos’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1482

Vertalingen

Engelsbreak
Franspause
DuitsPause
Spaanspausa
Russischпауза