paviljoen

onzijdig (het)/pavɪlˈjun/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) bijgebouw of afzonderlijk gelegen afdeling (m.n. van een ziekenhuis of gesticht)
    Ze hebben hem opgenomen in paviljoen 3.
  2. wonen (wonen) licht geconstrueerd buitenverblijf of tuinhuis (voor ontspanning en/of vermaak) (vaak van hout)
  3. horeca (horeca) buitencafé met veranda's en/of terrassen
    In het park is een paviljoen alwaar men thee kan drinken.
  4. bouwkunde (bouwkunde) vooruitspringende voorgevel van een gebouw, in de meeste gevallen afgedekt met een paviljoendak
  5. scheepvaart (scheepvaart) tentvormige verhoging op het achterdek van een vaartuig
  6. grote gerieflijke tent voor voorname personen in vroeger tijd
    De sultan was ondergebracht in een paviljoen.
  7. het onder de kroon gelegen gedeelte van een briljant
  8. muziekinstrument (muziekinstrument) klankbeker

Etymologie

* Van het Franse pavillon. In de betekenis van ‘buitenverblijf’ voor het eerst aangetroffen in 1810

Vertalingen

Engelspavilion
Franspavillon
Spaanspabellón