Peter
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die andermans kind mede ten doop houdt en plechtig belooft medeverantwoordelijkheid voor de (christelijke) opvoeding van dit petekind te zullen dragen
Etymologie
* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘doopvader’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Engelsgodfather
Spaanspadrino
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek