pij

mannelijk/vrouwelijk (de)/pɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) habijt, lange kleding gedragen door monniken
    Meestal is een pij donkerbruin of zwart gekleurd maar de camaldulenzers hebben een witte pij en worden de witte benedictijnen genoemd.

Etymologie

* Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘kledingstuk van grove wollen stof (tegenwoordig vooral van monniken)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1481