pijpen

/ˈpɛipə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, muziek (ov) (muziek) een melodie spelen op de speelpijp van, met name, een rietinstrument zoals de doedelzak
    Hij pakte zijn zakpijp en pijpte een vrolijk deuntje.
  2. ov, seksualiteit (ov) (seksualiteit) een man oraal bevredigen
    (…) tot die smerige hoer nog meer wou en zich naar het voeteneind sleepte, toen begon ze je te pijpen met niet te stillen honger (…)
  3. inerg (inerg) tabak roken.

Etymologie

*: "pijp" met de uitgang -en

Uitdrukkingen

  • naar iemands pijpen dansen