Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
pijprook
mannelijk (de)/ΛpΙiprok/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- zichtbaar mengsel van gassen, dampen en fijne vaste deeltjes dat uit een tabakspijp opstijgtRond een tafel zat een tiental heren in een nevel van pijprook. De makelaar was er ook bij.
Etymologie
*: pijproken zonder de uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek