Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

pijprook

mannelijk (de)/ˈpΙ›iprok/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zichtbaar mengsel van gassen, dampen en fijne vaste deeltjes dat uit een tabakspijp opstijgt
    Rond een tafel zat een tiental heren in een nevel van pijprook. De makelaar was er ook bij.

Etymologie

*: pijproken zonder de uitgang -en