pindakaas

mannelijk (de)/ˈpɪndaˌkas/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
    Hij had gisteren pindakaas op zijn brood.
    De kans is groot dat ook pindakaas binnenkort op de lijst van verboden middelen komt te staan. Dat blijkt uit geheime documenten die in het bezit zijn van HNS. De gevleugelde uitspraak 'Op een boterham met pindakaas kun je de Tour niet winnen' heeft dopingjagers wakkergeschud. Pindakaas is minder onschuldig dan het lijkt', aldus een anonieme dopingexpert (H. Ram). Volkskrant Directie 12 maart 2016 Satirisch artikel
    Had hij gelijk? Was het egoïstisch om je gezin zo lang achter te laten? Ondertussen keek ik in zijn doos en haalde er wat tonijn, noedels en pindakaas uit.

Etymologie

*[bijvoeglijk naamwoord] verbastering in Suriname van de familienaam "Pinchas", mogelijk onder invloed van "pinda" "geldgebrek"

Uitdrukkingen

  • helaas pindakaasberustend commentaar op een tegenvaller

Vertalingen

Engelspeanut butter
Fransbeurre d'arachide
DuitsErdnussbutter, beurre de cacahouète
Spaansmanteca de cacahuete
Italiaansburro di arachidi
Zweedsjordnötssmör