pink

mannelijk (de)/pɪŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) de vijfde, kleinste en buitenste vinger
  2. veeteelt (veeteelt) éénjarig kalf dat nog alle melktanden heeft
  3. scheepvaart (scheepvaart) type vissersvaartuig
  4. kort moment, ogenblik, oogwenk

Etymologie

* herkomst onzeker, in de betekenis van ‘vaartuig’ voor het eerst aangetroffen in 1477

Uitdrukkingen

  • Als je hem één pink[/vinger] geeft, dan neemt hij de hele hand.Hij misbruikt kleine gunsten om veel meer te willen/eisen dan toegestaan.
  • Daar zou ik mijn pink wel voor willen geven/missenDat zou ik erg graag willen hebben
  • Iemand om zijn pink windenIemand volledig inpalmen, voor zich winnen
  • Bij de pinken zijnErg pienter, bijdehand zijnPinken houdt hier vermoedelijk verband met een Bargoens woord voor geld.

Vertalingen

Engelslittle finger, pinky
Franspetit doigt, auriculaire
Duitskleine Finger
Spaansdedo meñique
Italiaansmignolo
Portugeesdedo mínimo, mínimo, dedo auricular
Russischтёлка
Japans小指
Koreaans새끼손가락
Turksserçeparmak
Poolspalec mały
Zweedslillfinger
Deenslillefinger