piraat
mannelijk (de)/piˈrat/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart), (misdaad) iemand die op zee met een schip andere schepen aanvalt en/of kaaptIn Somalië is een nieuwe generatie piraten aan het kapen geslagen.
- (figuurlijk) iemand die zonder vergunning en/of illegaal een bepaalde activiteit doet
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zeerover’ voor het eerst aangetroffen in 1562
Vertalingen
Engelspirate
Franspirate
DuitsPirat, Seeräuber, Korsar
Spaanspirata, filibustero, bucanero
Italiaanspirata
Portugeescorsário, pirata
Russischпират
Chinees海盗
Japans海賊
Koreaans해적
Arabischقرصان
Poolspirat
Zweedssjörövare, pirat
Deenssørøver, pirat
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek