pitvrucht
mannelijk/vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- van vruchten dat ze een kleine pit bevattenEr bestaan pitvruchten, zoals appelen en peren, met kleine pitjes in een klokhuis. En er bestaan steenvruchten, zoals kersen, perziken en pruimen, met een dikke, harde pit in het hart. Maar dit jaar bestaat er verwarring: in de peren zit een steen. De Standaard 8 JANUARI 2018 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20180108_03286107 KIJK UIT BIJ HET ETEN VAN EEN CONFERENCE]
- benaming van een smaak van wijnSmaak: begint fluwelig en mondvullend met pitvruchten en kruiden, eik en duidelijk aanwezige tannine. In het middenrif is de smaak geëvolueerd en toont een begin van verdroging. Een pittig accent versterkt de einddronk, gekenmerkt door nootmuskaat en kruidnagel. De Standaard 19 MEI 2007 [http://www.standaard.be/cnt/grs1ce0gr Supermarkt of wijnhandel? door smonne wellekens]
Vertalingen
Engelspip fruit, pome fruit
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek