appel
mannelijk (de)/ˈɑpəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) (fruit) ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom (in het bijzonder van de soort ).Snoep gezond, eet een appel!Toen ik de volgende ochtend om 4 uur wakker werd, stond de stille jongen al op het punt te vertrekken en gaf me een appel.
- (bloemplanten) boom die deze vruchten draagt, appelboom.Ik heb veel appelen staan in mijn tuin.
zelfstandig naamwoord
- tijdstip waarop alle leden van een groep bijeengeroepen worden om hun aanwezigheid te bewijzen.'s Morgens om zes uur moesten alle soldaten op appel verschijnen.
- het doen van een beroep op iemands gevoel van eer of rechtvaardigheidDe appellant richtte een appel aan de gouverneur om de executie uit te stellen.
- hoger beroep
- (valkerij): de reactie of gehoorzaamheid van de vogel
Etymologie
*appél: van "appel", in de betekenis van ‘beroep, verzet’ aangetroffen vanaf 1336 Het Middelnederlands kende de vorm appeel (ontleend aan het Oudfrans), die bewaard is als verkleinwoord: appeelken. De moderne vorm is een hernieuwde ontlening aan het moderne Frans.
Uitdrukkingen
- Een appel valt niet ver van de boom.
- :Kinderen lijken over het algemeen op hun ouders.
- Wie appelen vaart, die appelen eet. — Als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken./Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van.
- Een rotte appel in de mand maakt ook het gave fruit te schand. — Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen, of ook hun reputatie aantasten.
- voor een appel en een ei
- Een appeltje voor de dorst — Iets extra's dat men achter de hand houdt voor minder goede tijden
- Appels met met peren/citroenen vergelijken — Onvergelijkbare zaken toch met elkaar (proberen te) vergelijken
- Iemand appelen voor citroenen verkopen — Iemand afzetten, in het zak zetten
Vertalingen
Engelsapple, appeal
Franspomme
DuitsApfel
Spaansmanzana
Italiaansmela, appello
Portugeesmaçã
Russischяблоко
Japans林檎
Koreaans사과
Turkselma
Poolsjabłko
Zweedsäpple, appell
Deensæble
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek