plaatskaart

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bewijs dat met recht heeft om ergens te zijn en er gebruik van te maken m.n. voor openbaar vervoer en theaters, bioscopen en dergelijke
    Ik speelde met het speelgoed van mijn grootvader. Mijn eerste stad strekte zich uit over de grote tafel op zolder. Mijn grootvader had haar in zijn jeugdjaren vlak voor de eeuwwisseling gebouwd. In het midden stond het Centraal Station. Een sierlijk gebouw met ramen van glas en deuren met koperen klinken. Op het perron hing een bord ‘Plaatskaarten gereed houden!' de Standaard 01 JUNI 2012 Oscar van den Boogaard

Vertalingen

Engelsticket
Spaansbillete, boleto