plafond

onzijdig (het)/plɑˈfɔnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bovenkant van een ruimte in een gebouw
    Het plafond stortte naar beneden.
    Voor hen opende zich een onverwacht atrium van intens gouden licht, een enorme ruimte die minstens over de helft van het huis liep, met een plafond van balken die bijna versplinterden van ouderdom, en gepleisterde muren vol scheuren.
    Ik had een klamme rug van het zweet en het plafond leek lager dan een uur geleden.
  2. figuurlijk (figuurlijk) hoogste niveau, punt waarop geen verdere groei mogelijk is
    Hij bereikte zijn plafond op dertigjarige leeftijd.

Etymologie

*van "plafond"

Vertalingen

Engelsceiling, ceiling, limit
Fransplafond, plafond
DuitsDecke, Höchstgrenze
Spaanstecho
Italiaanssoffitto
Portugeestecto
Turkstavan
Poolssufit