vloer

mannelijk (de)/vlur/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bodem van een ruimte in een gebouw
    Hij sleurde de abt bij zijn haren uit het smalle bed, smeet hem op de vloer en sloeg hem met een roe waar hij hem raken kon, onder het zingen van het lied 'O Pastor Alterne'.
    Wat wil je nog meer? We sliepen allemaal op de vloer bij Trail Angel Shrek, waar we nog lang bleven napraten.

Etymologie

*(erfwoord) via vloer en fluor van *flōrō, *flōrô, *flōraz (“vlak oppervlak, vloer, vlakte”), van *plõro- (“vlak, effen”), van *pele-, *plet-, *plāk- (“vlak, effen”).

Uitdrukkingen

  • Als ieder zijn vloer keert, is het in alle huizen schoon.Als iedereen gewoon zijn eigen fouten verbetert (in plaats van commentaar te leveren op anderen e.d.), zijn er veel minder problemen.
  • Ergens de vloer mee aanvegenIets geheel verwerpen
  • Het is licht/makkelijk dansen op andermans vloer.Geld van een ander uitgeven is makkelijk.
  • Hoe hoger de zolder, hoe lager de vloer.Hoe meer iemand praat, des te minder heeft die persoon vaak daadwerkelijk in te brengen of te betekenen.
  • ’s Mans moer is de duivel over de vloer.Schoonmoeders verstoren vaak de verhoudingen binnen de familie.
  • Met iemand de vloer aanvegenIemand gemakkelijk ergens in verslaan
  • Over de vloer hebbenOp bezoek hebben

Vertalingen

Engelsfloor
Fransplancher, sol
DuitsBoden
Spaanspiso, suelo
Italiaanspavimento
Portugeespiso, chão, assoalho
Russischпол
Japans
Koreaans바닥
Arabischأرضية
Poolspodłoga
Zweedsgolv
Deensgulv