plasser

mannelijk (de)/ˈplɑsər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon (persoon) iemand die urineert, vooral van het mannelijk geslacht
    Voortaan staan permanent twee fietsen tegen haar muur. Het ontmoedigt de eerste plasser en daarmee allen die na hem komen, zegt ze. "Vreemd genoeg plassen ze alleen op plaatsen waar een ander heeft gestaan."
    Eén handicap: de rechtshandige plasser is staande tijdens hevige schommelingen nogal in het nadeel. Op de toiletten zit de handgreep rechts.
  2. anatomie, informeel (anatomie), (informeel) mannelijk geslachtsorgaan
    Arie is een beetje dik. Hij heeft altijd grote korte broeken aan. Een keer zag ik zijn plasser eruit bungelen. Hé jóh, zei ik, ik zie je piemel!
    Het kind had immers gesproken over: iets dat vader Henk had en zij, Miesje, niet — een plasser.
    Merk op dat ze borsten begint te krijgen, misschien straks ook haartjes bij haar plasser. Het is toch hartstikke leuk dat met je dochter te bespreken? [https://www.gezondheidenco.nl/97201/moeder-helpt-bij-menstruatie/ Ongesteld worden. Moeder speelt belangrijke rol menstruatie], Gezondheid en Co, 15 december 2013

Etymologie

* van plassen

Vertalingen

Engelswee-wee, willy, winky
Franskiki, zizi
DuitsSchniepel
Spaanspilila, pito, pinga