plastiek
vrouwelijk (de)/plɑsˈtik/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kunst) boetseerkunst, beeldhouwkunst
- (kunst) licht- en schaduwwerking in de schilderkunst
- (kunst) voorwerp van plastische kunst
- (medisch) aangebrachte verandering in de vorm van een lichaamsdeel zoals door plastische chirurgie
- plastic
Etymologie
**(n): in de betekenis van 'synthetisch product gemaakt van oliederivaten' voor het eerst gebruikt in 1909
Vertalingen
Spaansplástica
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek