plastiek

vrouwelijk (de)/plɑsˈtik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kunst (kunst) boetseerkunst, beeldhouwkunst
  2. kunst (kunst) licht- en schaduwwerking in de schilderkunst
  3. kunst (kunst) voorwerp van plastische kunst
  4. medisch (medisch) aangebrachte verandering in de vorm van een lichaamsdeel zoals door plastische chirurgie
  5. plastic

Etymologie

**(n): in de betekenis van 'synthetisch product gemaakt van oliederivaten' voor het eerst gebruikt in 1909

Vertalingen

Spaansplástica