plebaan

mannelijk (de)/pleˈban/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, religie (beroep) (religie) (rooms-katholiek) pastoor van een kathedraal die in plaats van de bisschop zorg draagt voor de parochie
    Tot 1925 haalde het R.K. Huisvestingscomité ruim 14.000 katholieke (Hongaarse) kinderen naar Nederland. (…) Zo arriveerde in september 1923 een groep van 125 Hongaren op het station van Haarlem. De plebaan L. Westerwoudt, priester van de Haarlemse kathedrale basiliek St. Bavo, was met hen meegereisd.

Etymologie

*via Middelnederlands "plebaen" van middeleeuws Latijn "plebanus"