plof
mannelijk (de)/plɔf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- dof geluid van iets dat valt of van een plotseling ontbrandend of ontsnappend gas
tussenwerpsel
- klanknabootsing van het geluid van iets dat valt of van een plotseling ontbrandend of ontsnappend gas
Etymologie
* In de betekenis van ‘tussenwerpsel: nabootsing van geluid’ voor het eerst aangetroffen in 1844
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek