plus

mannelijk (de)/plʏs/

Betekenis

voegwoord
  1. en, daarbij
    Over mijn donsjas had ik mijn regenjas aangetrokken en ik lag met een regenbroek plus legging in mijn slaapzak te bibberen van de kou.
  2. rekenkundige operatie
zelfstandig naamwoord
  1. wiskunde (wiskunde) +: teken voor (optelling van) positieve getallen
    Deze plus zou een min moeten zijn.
  2. overdrachtelijk: een voordeel
    We moeten alle plussen en minnen eerst eens goed op een rijtje moeten zetten.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘plusteken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1537

Vertalingen

Engelsplus
Duitsplus
Spaansmás
Japans足す, たす, tasu
Poolsplus