poepen

/ˈpupə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) poep uitwerpen, zijn behoefte doen
    Hij rende naar de wc omdat hij nodig moest poepen.
  2. inerg, verouderd (inerg) (verouderd) winden laten
    Als je te veel uien eet, loop je de hele dag lang te poepen.
  3. inerg (inerg) (gewestelijk) bevallen
    Toen ze net zeven maanden zwanger was, brak haar water; ze zou dadelijk gaan poepen.
  4. ov, seksualiteit (ov) (seksualiteit) (Belgisch-Nederlands) geslachtsgemeenschap hebben (met de vrouw als lijdend voorwerp)
    Het verliefde koppeltje lag 's avonds in de duinen te poepen.
    Hij poepte zijn partner elke zondagochtend.

Etymologie

*[4] nevenvorm van "poppen", dat in eerste instantie betekent "met de poppen spelen"

Vertalingen

Franschier, faire caca, baiser
Spaanscagar, defecar