poepen
/ˈpupə(n)/
Wat is de betekenis van poepen?
poepen betekent: (inerg) poep uitwerpen, zijn behoefte doen
Betekenis
werkwoord
- (inerg) poep uitwerpen, zijn behoefte doen
- (inerg) (verouderd) winden laten
- (inerg) (gewestelijk) bevallen
- (ov) (seksualiteit) (Belgisch-Nederlands) geslachtsgemeenschap hebben (met de vrouw als lijdend voorwerp)
Voorbeelden van "poepen" in een zin
- Hij rende naar de wc omdat hij nodig moest poepen.
- Als je te veel uien eet, loop je de hele dag lang te poepen.
- Toen ze net zeven maanden zwanger was, brak haar water; ze zou dadelijk gaan poepen.
- Het verliefde koppeltje lag 's avonds in de duinen te poepen.
- Hij poepte zijn partner elke zondagochtend.
Etymologie
*[4] nevenvorm van "poppen", dat in eerste instantie betekent "met de poppen spelen"
Vertalingen
Franschier, faire caca, baiser
Spaanscagar, defecar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek