politie

vrouwelijk (de)/poˈli(t)si/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) bestuur van een stad of staat
  2. bedrijf, ordehandhaving (bedrijf) (ordehandhaving) overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde en veiligheid en het opsporen van wetsovertreders
    De politie stond bij hem op de stoep.
    Als je te hard rijdt, krijg je een bekeuring van de politie.
    'Je bent wie je bent juist door de mensen die je geen blik waardig zou keuren,' had Harold een keer tegen Sarah geschreeuwd toen ze 's nachts niet was thuisgekomen en hij de politie had gebeld.
zelfstandig naamwoord
  1. spreektaal, beroep (spreektaal) (beroep) ambtenaar bij de politie
    Die politie stond op de hoek te kijken, maar hij deed verder niets.

Etymologie

*(f)/(m): (verkorting) van politieman

Uitdrukkingen

  • De arm der wetDe politie of justitie
  • : "polisie"
  • : "politi"
  • : "politi" (via het Deens)
  • : polisi

Vertalingen

Engelspolice, cop
Franspolice, gars de la police
DuitsPolizei, Polizist
Spaanspolicía, poli, policía
Italiaanspolizia
Portugeespolícia
Russischполиция
Chinees警察
Japans警察
Koreaans경찰
Arabischشرطة
Turkspolis
Poolspolicja
Zweedspolis
Deenspoliti