pomp

mannelijk/vrouwelijk (de)/pɔmp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) werktuig dat door middel van drukverschil vloeistoffen of gassen verplaatst
  2. informeel (informeel) benzinepomp, tankstation
    In Tain l'Hermitage zien we een vervallen garage uit de jaren dertig. G RAGE staat boven de poort, zoals de Nationale 7 ook veel OTELS en RE TAUR NTS kent. De pompen staan er nutteloos bij, op een uithangbord wuift een Michelinmannetje naar de klanten die nooit meer zullen komen.
  3. waterbeheer, techniek (waterbeheer), (techniek), (Noord-Nederland), kokervormige onderdoorgang om water af te voeren
zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) verstelwerk
  2. informeel (informeel) baantje
  3. verouderd (verouderd) pracht, praal

Etymologie

*[B] van "pompe", in de betekenis van ‘praal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1439

Uitdrukkingen

  • door de pomp gaan
  • loop naar de pomp
  • van pomp noch pompstok weten

Vertalingen

Engelspump
Franspompe
DuitsPumpe
Spaansbomba
Italiaanspompa
Portugeesbomba