positivo
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌpoziˈtivo/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (pejoratief) iemand met een overdreven positieve instelling, vaak met de bijbetekenis dat daarmee een geloofsovertuiging wordt uitgedragenAf en toe blijkt hij zelfs bezield van het semi-religieuze vuur van de positivo, zoals in het nummer Spaceman waarin de ster van Bethlehem wordt voorgesteld als een ruimteschip, dat de wereld van een boodschap van liefde en vrede [kond] komt doen.De show stond in het teken van het optimisme, (ken gezeur over de crisis. Dus veel positieve geluiden. En Jos Brink als een hele grote positivo in dit gezelschap.
- iemand met een positieve houdingWiebenga zegt nadrukkelijk een positivo te zijn. Hij weigert mee te zingen in het koor van eurosceptici dat toch vooral in zijn partij aan stemmen wint (…)
Etymologie
*afgeleid van "positief" , in 1982 als onderdeel van een parodie geïntroduceerd door het duo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek