posten

/ˈpɔstə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) op de post doen
    Onderweg naar zijn werk postte hij drie brieven.
  2. inerg (inerg) op wacht staan
    Hij postte al drie uur voor de winkel, maar er was hem nog niks verdachts opgevallen.

Vertalingen

Engelspost, stand guard
Fransposter, monter la garde
Duitszur Post bringen, in den Briefkasten stecken, die Wache halten