potvis
mannelijk (de)/ˈpɔtfɪs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (walvisachtigen) bepaald soort zeezoogdier, uit de familie der potvissen (), de grootste soort tandwalvisDe wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus
Etymologie
* , vermoedelijk vanwege de vorm van de kop, in de betekenis van ‘walvisachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1634
Vertalingen
Engelssperm whale
Franscachalot
DuitsPottwal
Spaanscachalote
Italiaanscapodoglio
Portugeescachalote
Russischкашалот
Poolskaszalot
Zweedskaskelot
Deenskaskelothval
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek