praatje

/ˈpracə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. min of meer informele voordracht
    Zijn praatje werd bijzonder goed ontvangen.
  2. gezellige conversatie
    Hij maakte een praatje met zijn buurman en vroeg hem of hij de wedstrijd ook gezien had.
    Maar dit gevoel duurde niet lang want na een kort praatje schreef hij opeens een officiële boete uit voor de hele groep omdat het blijkbaar verboden was om boven op Mount Whitney te overnachten.

Etymologie

*afgeleid van "praat"

Uitdrukkingen

  • Praatjes vullen geen gaatjes.met praten alleen komt men er niet, er moet ook wat gedaan worden

Vertalingen

Spaanscharla, charla