prima

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈprima/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. handel (handel) eerste wissel
  2. uitstekend, eerste (als in: eerste klasse)
    Dat is een prima wijntje.
  3. goed
    Wij vonden 25 kilometer per dag al prima, terwijl jullie nu ruim 40 kilometer per dag doorjakkeren. Neem toch de tijd, zoiets maak je maar een keer in je leven mee. Het heeft me nooit losgelaten na al die jaren.’
    Bibi en ik redden ons prima.
    En Lot vond het prima.

Etymologie

*Afgeleid van het Italiaanse woord prima, de vrouwelijke vorm van primo ("eerste"), hetgeen is afgeleid van het Latijnse primus.