primarius

mannelijk (de)/priˈmariˌjʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. eerste violist van een orkest
    Als jongetje van twaalf zat ik al te turen in de wereldatlas. En ik merkte met een schok dat alle muziek die ik speelde uit Wenen kwam. Daarmee begon mijn levenslange belangstelling naar muziekculturen wereldwijd, aldus primarius David Harrington in de bijbehorende dvd-documentaire.
    Het tweede deel is een aangrijpende klaagzang, adembenemend vertolkt door de primarius van het Dudok Kwartet.

Etymologie

* uit het Latijn