privésector
mannelijk (de)/priˈvesɛktɔr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (economie) geheel van de bedrijvigheid die niet hoofdzakelijk door de staat wordt beheerst, verzamelterm voor de bedrijven die winst maken voor particuliere eigenaarsDe staat en de partij controleren de economie met nauwelijks inbreng van de privésector.In het kader van klein verlet kunnen werknemers in de privésectoren een beroep doen op verlofdagen om tal van redenen door de wetgever aangeduid.Door onze importbarrières te verlagen, gunnen we privésectors van de 3e Wereld {{sic!
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek