programma
onzijdig (het)/proˈɣrɑma/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (informatica) applicatie voor de computerHij schreef een nieuw programma in C++.
- aantal activiteiten voor een bepaalde tijdWe hebben een heel programma om de kinderen bezig te houden.
- (media) uitzending op radio of televisieHet journaal is een veelbekeken programma.
- los blaadje met informatie over de uitvoering of het concert dat men bijwoontWilt u een programma, meneer?
- (politiek) onderling afgesproken doelstellingen en plannenDit past niet binnen het programma van onze partij.
- beschrijving van de geplande gebeurtenissen en handelingenVeel van de disciplines (hardlopen, worstelen, discus- en speerwerpen) lijken direct overgenomen te zijn uit het programma van de antieke Olympische Spelen.Het programma van deze grote festivals verschilde per plaats op een aantal punten: zo waren er in Delphi muzikale competities naast de sportwedstrijden, maar het is opvallend dat ze op de belangrijkste onderdelen overeenstemden.
Etymologie
* via Latijn "programma" "proclamatie, edict" van "πρόγραμμα" (prógramma), "schriftelijke aankondiging, edict", in de betekenis van ‘overzicht van onderdelen, verklaring’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1778
Vertalingen
Engelsprogram, programme, declaration of policy
Fransprogramme
DuitsProgramm
Spaansprograma, programa
Italiaansprogramma
Poolsprogram, program
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek