prop

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. samengepakte massa weefsel of papier, vaak gebruikt om iets af te stoppen
    Hij zat propjes te schieten.
  2. waterbeheer (waterbeheer) bolder van houten staken op een rijshouten zinkstuk

Etymologie

* In de betekenis van ‘bal’ voor het eerst aangetroffen in 1420

Vertalingen

Engelsswab, plug
DuitsPropf