protocol
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (oorkondeleer, diplomatiek) inleidend deel van een oorkonde, met de namen van de oorkonder en die van degene voor wie het stuk bestemd is en een groetformule
- oorkondenboek, d.w.z. boek waarin minuten van oorkonden zijn ingeschreven
- (juridisch) de gezamenlijke akten van een notaris, zijn archief; notarisprotocol
- geheel van voorschriften en afspraken in de internationale diplomatieke omgang
- (informatica) geheel van regels en afspraken voor het uitwisselen van gegevens tussen verschillende computers in netwerken
- geheel van regels en afspraken voor het uitvoeren van een procedure of metinghet protocol van de bruiloft was nauwkeuriger dan dat van een nationaal rampenplan
Etymologie
* Leenwoord uit Frans protocole ‘formulierboek’, overgenomen uit middeleeuws Latijn prōtocollum, ontleend aan Byzantijns-Grieks prōtókollon ‘het blad dat aan het begin van een papyrusrol gelijmd is’.
Vertalingen
Engelsprotocol
Fransprotocole
DuitsProtokoll
Spaansprotocolo
Italiaansprotocollo
Portugeesprotocolo
Deensprotokol
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek