protocol

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (oorkondeleer, diplomatiek) inleidend deel van een oorkonde, met de namen van de oorkonder en die van degene voor wie het stuk bestemd is en een groetformule
  2. oorkondenboek, d.w.z. boek waarin minuten van oorkonden zijn ingeschreven
  3. juridisch (juridisch) de gezamenlijke akten van een notaris, zijn archief; notarisprotocol
  4. geheel van voorschriften en afspraken in de internationale diplomatieke omgang
  5. informatica (informatica) geheel van regels en afspraken voor het uitwisselen van gegevens tussen verschillende computers in netwerken
  6. geheel van regels en afspraken voor het uitvoeren van een procedure of meting
    het protocol van de bruiloft was nauwkeuriger dan dat van een nationaal rampenplan

Etymologie

* Leenwoord uit Frans protocole ‘formulierboek’, overgenomen uit middeleeuws Latijn prōtocollum, ontleend aan Byzantijns-Grieks prōtókollon ‘het blad dat aan het begin van een papyrusrol gelijmd is’.

Vertalingen

Engelsprotocol
Fransprotocole
DuitsProtokoll
Spaansprotocolo
Italiaansprotocollo
Portugeesprotocolo
Deensprotokol