provincie

vrouwelijk (de)/proˈvɪnsi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een staatkundig onderdeel van een land
    Nederland heeft twaalf provincies.
    Hoewel het bij mijn oudste dochter soms lastig was om een afspraak in haar drukke tieneragenda in te plannen, reden we samen naar Groningen om in mijn oude studentenhuis te logeren en zijn we bezig met een tour om in elke provincie een biefstuk te eten.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn (provincia), in de betekenis van ‘gewest’ voor het eerst aangetroffen in 1330

Vertalingen

Engelsprovince
Fransprovince
DuitsProvinz
Spaansprovincia
Italiaansprovincia
Portugeesprovíncia
Chinees
Japans
Poolsprowincja
Zweedsprovins
Deensprovins