puls
mannelijk/vrouwelijk (de)/pʏls/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m) impuls
- (f) / (m) bij grondboring gebruikte holle cilinder om grond naar boven te halen
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘stoot’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1604
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek