puls

mannelijk/vrouwelijk (de)/pʏls/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (m) impuls
  2. (f) / (m) bij grondboring gebruikte holle cilinder om grond naar boven te halen

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘stoot’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1604