pupil
mannelijk (de)/pyˈpɪl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (juridisch) minderjarige onder voogdij
- (onderwijs) leerlingHij liet zijn pupillen niet merken dat hij enigszins van zijn stuk was.
- (sport) junior, iemand in een jongere leeftijdsklasse
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) opening in het midden van de iris in het oogZijn pupillen vernauwden zich toen hij werd blootgesteld aan het felle licht.
Etymologie
* [B]: Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘oogappel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351
Vertalingen
Engelsward, pupil, pupil
Franspupille, élève, pupille
DuitsMündel, Schüler, Pupille
Spaanstutelado, alumno, pupila
Turksgöz bebeği, pupilla, pupil
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek