rad
onzijdig (het)/rɑt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (werktuigbouwkunde) wielvormig voorwerp dat kracht overbrengt binnen een machine of op het water
- (juridisch), (historisch) strafwerktuig bestaand uit een wiel dat is bevestigd op een houten paal, waarna het gefolterde lichaam van een veroordeelde hierop wordt gelegdDe misdadiger werd op het rad gezet.
- (Bargoens) grote munt
afkorting
- (eenheid) SI-eenheid voor hoek (symbool voor radiaal)
- (eenheid) eenheid van geabsorbeerde radioactieve straling (afkorting voor radiation)
Etymologie
*[B] In de betekenis "snel, vlug" voor het eerst aangetroffen in de 15e eeuw. Mogelijk verwant met rad "wiel", het bijvoeglijk naamwoord ras en rennen . Te herleiden tot PIE *raþa-.
Uitdrukkingen
- Het slechtste rad maakt het meeste geraas — Wie het minste van een zaak af weten, zijn juist geneigd het meest hierover te roeptoeteren (vgl. de beste stuurlui staan aan wal)
- Het vijfde rad aan de wagen — Gezegd van iemand die of iets wat ergens prima bij gemist kan worden
- Iemand een rad voor de ogen draaien — Iemand op gemene, slinkse wijze bedriegen of misleiden
- Voor galg en rad opgroeien — Vanaf de jeugd een levenspad volgen dat later waarschijnlijk naar criminaliteit leidt
- Rad van tong zijn — Veel, snel en/of goed kunnen praten, welbespraakt zijn
Vertalingen
Engelswheel
Fransroue
DuitsRad
Spaansrueda
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek