rad

onzijdig (het)/rɑt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. werktuigbouwkunde (werktuigbouwkunde) wielvormig voorwerp dat kracht overbrengt binnen een machine of op het water
  2. juridisch, historisch (juridisch), (historisch) strafwerktuig bestaand uit een wiel dat is bevestigd op een houten paal, waarna het gefolterde lichaam van een veroordeelde hierop wordt gelegd
    De misdadiger werd op het rad gezet.
  3. (Bargoens) grote munt
afkorting
  1. eenheid (eenheid) SI-eenheid voor hoek (symbool voor radiaal)
  2. eenheid (eenheid) eenheid van geabsorbeerde radioactieve straling (afkorting voor radiation)

Etymologie

*[B] In de betekenis "snel, vlug" voor het eerst aangetroffen in de 15e eeuw. Mogelijk verwant met rad "wiel", het bijvoeglijk naamwoord ras en rennen . Te herleiden tot PIE *raþa-.

Uitdrukkingen

  • Het slechtste rad maakt het meeste geraasWie het minste van een zaak af weten, zijn juist geneigd het meest hierover te roeptoeteren (vgl. de beste stuurlui staan aan wal)
  • Het vijfde rad aan de wagenGezegd van iemand die of iets wat ergens prima bij gemist kan worden
  • Iemand een rad voor de ogen draaienIemand op gemene, slinkse wijze bedriegen of misleiden
  • Voor galg en rad opgroeienVanaf de jeugd een levenspad volgen dat later waarschijnlijk naar criminaliteit leidt
  • Rad van tong zijnVeel, snel en/of goed kunnen praten, welbespraakt zijn

Vertalingen

Engelswheel
Fransroue
DuitsRad
Spaansrueda