radar

mannelijk (de)/ˈradɑr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek waarmee uit de weerkaatsing van radiogolven de positie van een al dan niet bewegend voorwerp kan worden bepaald
    {{ouds
    Radar is in het begin van de twintigste eeuw uitgevonden.
  2. techniek (techniek) installatie waarmee de positie van een al dan niet bewegend voorwerp met behulp van radiogolven kan worden bepaald
    Dat schip heeft radar aan boord.

Etymologie

*(letterwoord) van """, in de betekenis van ‘plaatsbepaling van voorwerp d.m.v. teruggekaatste radiogolven’ aangetroffen vanaf 1945 (vindplaats zie hieronder)

Uitdrukkingen

  • Buiten/Onder/Van de radar blijvenBuiten beeld blijven, niet opgemerkt worden

Vertalingen

Engelsradar
Spaansradar