rafel

mannelijk/vrouwelijk (de)/'ra.fəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een losgeraakte draad van een weefsel
    Die broek is zó versleten dat de rafels eraan hangen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘draad’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1653

Vertalingen

Engelsfrayed end, loose end
Franseffilochure, éraillure
DuitsFranse
Spaanshilacha, hilacho